Jump to main content
banner
LE CLEA
Accueil
Charte
Actions du Clea
es Communiqués
eses Actualité
es Nederlands / English
es Clea en son et images
  Clea - Section Liège
Législations liberticides
Appel du SAD
es Note sur la loi anti-T
im Une nouvelle inquisition
Procès du DHKC
es Enjeux et contexte
es Les enjeux de ce procès
es Les détenus de Bruges
im Traiments inhumains et dégrandants en prison
Démocratie en Turquie?
Une presse sous emprise
es Un procès exemplaire
es L'autre affaire Erdal
es Procès en Appel à Gand
es Condamné à cinq ans
es Messages de soutien
es Comptes-rendus des audiences
es 1ère instance: Bruges
es Note sur le dossier de Bruges
es Jugement du 28-02-06
im Bahar Kimyongür
es Un complot contre Bahar
es Bahar libéré aux Pays-Bas
es Pétition, soutiens...
es Autobiographie
es Note sur l'arrestation aux Pays-Bas
es Lettre de l'avocat turc
es Jugement de La Haye
Dans le collimateur des lois anti-terroristes
es Procès politique à Liège
es Une menace qui grandit
Presse
es Cartes blanches, articles
Liste de diffusion
es

Pour vous inscrire à notre liste de diffusion cliquez ici


À lire absolument notre nouvelle et très complète brochure «Kimyongur Bahar : Le dossier à charge»
[Lire]

Pour un soutien financier:
363-0054263-80

Portez le pin's
«Triangle rouge»
Le Clea en a fait son symbole

triangle rouge
Où se le procurer?
Cliquez sur l'image

Un seul pas suffirait pour arrêter le compteur macabre !
Avant son incarcération, Bahar Kimyongür avait lancé un appel urgent à la constitution d'une délégation internationale en Turquie en vue de sauver la vie de l'avocat des droits de l'Homme Behiç Asçi, en grève de la faim depuis plusieurs mois en protestation pour les conditions de détention de ses clients. Il fut écouté mais Maître Asçi se débat encore entre la vie et la mort. Faisons du geste généreux de Bahar une victoire : Soutenons sa campagne ! [Lire]

 


«Verzet is een antwoord op het terrorisme»
Pleidooi Hof van beroep van Antwerpen - 20 november 2007
[Video]                                                                      fr

Anvers


Mevrouw en Heren rechters,
 
Als u het mij toestaat zal ik als Belg, afkomstig uit Brussel, mijn pleidooi in de twee landstalen houden. Zoals u immers al weet is het ordewoord: "Red de solidariteit", zowel voor België als op internationaal vlak, voor mij zeer belangrijk.

Net als het Federaal parket en de burgerlijke partij, zal ook ik, hier voor de derde keer mijn argumenten naar voor brengen.

Net als in eerste aanleg in Brugge en voor het Hof van Beroep, blijf ik geschokt en perpleks wanneer ik voor de derde keer de eenzijdige en selectieve interpretatie van de feiten hoor, die door de aanklagers, die respectievelijk de Belgische staat en de Turkse staat vertegenwoordigen, wordt naar voor gebracht.

Mijnheer de federaal procureur maakt van mij een leider van de DHKP-C, volgens een recept, dat erop neer komt dat men een of ander zogenaamd "verpletterend bewijs" aanvoert, dat op de keper beschouwd alleen maar over woorden gaat, die dan ook nog heel bewust, uit het geheel en uit hun context getrokken worden. Zulk een procédé draagt een naam: men pleegt bedrog door zaken weg te laten.

Ik wil nog meer zeggen:

Mijn verklaringen over feiten, die zich in Turkije hebben afgespeeld, en de interpretatie, die de heer federaal procureur ervan maakt, zijn helemaal niet representatief voor mijn persoonlijkheid, en ze ontnemen aan wat mijn politieke activiteit geweest is en vandaag nog altijd is, hun werkelijke waarde.

Ik zal nu een voor een de argumenten die door de Heer federaal procureur naar voor zijn gebr

Eerst over mijn zogenaamde "groei" in de organisatie.
Mevrouw en Heren rechters, u zal het mij met eens zijn dat ik niet kan opgegroeid zijn in de organisatie, omdat ik al volwassen, meerderjarig en gevaccineerd was op het ogenblik dat ik die organisatie heb leren kennen.

In tegenstelling tot mijn medebeschuldigden ben ik geboren in Brussel, ik ben er opgegroeid, ik heb er gestudeerd, ik heb er gewerkt, ik heb er gemiliteerd en ik ben er gehuwd, en vermits er een internationaal aanhoudingsmandaat tegen mij is uitgevaardigd door het regime in Ankara en ik verhinderd ben om me naar eender welk land te begeven, zal ik er dus wellicht ook sterven….

Ik ken en bezoek het informatiebureau van de DHKC in Brussel sinds zijn opening in de zomer van 1995. 1995 is een jaar waarin het aantal folteringen, buitenrechtelijke executies, ontvolking van dorpen door het leger en ontvoeringen door de Turkse geheime diensten, bijzonder hoog was.

De terreur van de Turkse staat tegen elke persoon, die zich niet wou schikken en onderwerpen aan het monsterlijke devies: "één natie, één taal, één vaderland, één vlag", heeft mij toen diep verontwaardigd.

Ik kan alleen maar zeggen, mevrouw en heren rechters: men moet echt het militarisme, het chauvinisme en het revanchisme dat de Turkse maatschappij overheerst en verplettert…, gezien, gehoord en gevoeld hebben, om mijn engagement voor de Rechten van de Mens en de democratie te begrijpen.

De militarisering van de geesten door de Turkse staat heeft miljoenen Turkse burgers in de rangen van de linkse bewegingen geduwd.

Ik ben op het Informatiebureau van de DHKC zelf spontaan begonnen met het vertalen van de informatie die ging over de repressie in Turkije, zonder dat ik me daarvoor moest inschakelen of onderwerpen aan een of ander hiërarchisch, organisatorisch kader van die beweging.

De jaren 1997-1999, de jaren die ons in deze strafzaak interesseren, zijn precies de jaren waar de DHKP-C de vorming van pluralistische volksvergaderingen heeft aangemoedigd (Halk Meclisi) en een Grondwet van het Volk (Halk Anayasasi) heeft gelanceerd, die toegejuigd, of op zijn minst geapprecieerd werd, door de democratische krachten van het land. Die grondwet is op bijna een half miljoen exemplaren afgedrukt.

In die jaren heb ik vrijwel uitsluitend informatie vertaald, die ging over dit soort democratische en legale initiatieven..

In april 1997 heb ik een rapport opgesteld met als titel : "De aanslagen tegen de Mensenrechten in Turkije (1996)". Dit rapport is gepubliceerd door het informatiebureau van de DHKP-C, dat toen op de Leuvense Steenweg gehuisvest was. Met de ontwikkeling van Internet, is mijn journalistiek werk op papier meer en meer overgeschakeld naar elektronisch journalisme.

Gedurende meer dan tien jaar media-activisme, heb ik nooit enige afkeuring of zelfs geen aandacht gekregen van welke publieke autoriteit dan ook. Mijn informatieactiviteit was militantisme van het goede soort en dat bleef zo tot in 2004, dit wil zeggen, tot het regime van Ankara zijn diplomatieke druk opvoerde en tot het ogenblik waarop twee journalisten me onderwierpen aan een ondervraging, waar het Federaal Parket op zijn beurt ging van gebruik maken, om mij voor de rechtbank te sleuren.

Tot in 2004 heeft zelfs de minister van justitie, mevrouw Onkelinx, verklaard dat de activiteit van dit informatiebureau volkomen legaal was en in overeenkomstig met de Belgische grondwet.

Van 2000 tot 2007 heb ik niet opgehouden te ijveren voor een bemiddeling tussen het Turkse ministerie van Justitie en de gevangenen van de DHKP-C, die in hongerstaking waren tegen hun isoleerregime in de gevangenissen.

Zelfs gedurende mijn gevangenschap in de gevangenis van Gent, heb ik mijn werk van bemiddeling verder gezet, zoals blijkt uit de brief die mevrouw Onkelinx me schreef en waarin ze zich ertoe verbindt om, zoals ik haar vroeg, M. De Gucht te contacteren om " de problematiek in het klare te trekken"(over de slechte behandeling in de Turkse gevangenissen, cf. N réf : LO/LB/SW/jl/2007-3/4072).

Na mijn transfer naar de gevangenis van Nijvel, heb ik een recht op antwoord gepubliceerd in de krant De Standaard van 10 april, gericht aan Mijnheer Filip Verhoest, die een schandalig artikel had geschreven over mij.

Toen ik uit de gevangenis werd vrijgelaten na het vonnis van cassatie, heb ik volgens alle regels van de beleefdheid, ook een open brief geschreven aan Mijnheer Fuat Tanlay, de Turkse ambassadeur in België, die voor mij de vertegenwoordiger is van een regime dat ik sinds 12 jaar aanklaag.

Ik hoop dat deze enkele voorbeelden volstaan om aan te tonen dat mijn militantisme en mijn gedrag niets subversiefs, noch terroristisch vertonen.

Ik wil er ook op wijzen dat ik, in tegenstelling tot wat mijnheer de federale procureur beweert, op basis van een rapport van een wijkagent, nooit gewoond heb op het Informatiebureau van de DHKC. Geen enkel huurcontract bindt mij aan dit bureau, en als ik verklaard heb daar te verblijven, dan is dat enkel om mijn privé-leven te beschermen en mijn eigen intimiteit tegen mogelijke last met de politie.

Ik kan hier dan ook met alle stelligheid en formeel beweren dat

  1. mijn vertaling van communiqués, die gaan over de gewapende acties van de DHKP-C, slechts een miniem deeltje uitmaken van mijn militant werk
  2. en vooral, dat ik niet "ben opgegroeid" in de DHKP-C,
  3. dat ik er evenmin de verschillende "echelons" heb doorlopen, vermits ik daar altijd dezelfde plaats heb ingenomen, en er altijd dezelfde taak heb opgenomen. Die taak is mij niet toevertrouwd, maar ik heb die spontaan opgenomen van in het begin en in overeenstemming met mijn eigen capaciteiten. Er is niemand die mij met die functie heeft belast. Er is niemand die mij daarvoor een vergoeding heeft gegeven of mij daarvoor heeft betaald.

Ik kan onmogelijk een lid zijn van de Partij, de DHKP, omdat ik niet in de clandestiniteit werk en op geen enkele manier een autoriteit heb over de militanten van die beweging.
Ja, ik heb kennis genomen van een communiqué dat in Turkije reeds bekend was.
Dankzij de communicatietechnologie kan eender wie overweg kan met een computer precies dezelfde informatieactiviteit doen als ik, zonder dat dit de goedkeuring van een of ander centraal comité zou moeten krijgen.

Op dezelfde manier kan ik ook geen lid zijn van het Front, de DHKC, vermits ik met hen ook niet dezelfde modus vivendi, noch de moed van deze DHKC-militanten deel. Zoals mijnheer de procureur al zei: het is niet gemakkelijk om lid te worden. Dit wil zeggen dat men geen grote helderziende moet zijn om te zien dat ik geen lid ben van de DHKP en evenmin van de DHKC. Ik beschouw mezelf als een sympathisant van deze beweging.

Over mijn zogenaamde rol van leider van een jongerenkamp
In 1997 was ik nog maar een dilettant op politiek vlak, hoe zou ik dan een jongerenkamp hebben kunnen leiden, terwijl ik in die periode nauwelijks de Turkse taal beheerste? Ik kon hoogstens teksten vertalen, moeizaam. Maar aangezien mijn moedertaal Arabisch is en ik mijn opleiding steeds in het Frans heb genoten, was ik in die tijd niet bekwaam om een toesprak in het Turks te houden. In 1997 sprak ik slechts een twijfelachtig Turks, onvoldoende om “een opleidingskamp voor jonge revolutionairen te leiden”, zoals het federaal Parket beweert. Tenzij de heer federale procureur wil spreken over een vakantiekamp waar een links scoutisme wordt beoefend met gitaar en Farandole zoals uit een foto blijkt van het kamp dat de krant “Le Soir” afdrukte op 30 april 2007? Het bewuste vakantiekamp waar ik de jonge vrouw heb ontmoet die mijn vrouw zou worden. Zelfs als ik de belangrijkste monitor zou zijn geweest van dit vakantiekamp, is dit op zich helemaal geen misdrijf.

Over mijn zogenaamd gewelddadig karakter
Uit het dossier blijkt nergens dat ik op enig ogenblik van mijn bestaan beroep zou gedaan hebben op geweld om mijn ideeën op te dringen. Ik zal niet uitweiden over de toevoeging in het strafdossier van een foto waarop ik te zien ben met een bazooka op de schouder in een Palestijns kamp in Libanon tijdens een officiële herdenking van de 20ste verjaardag van het bloedbad van Sabra en Chatila. Het gebruik van dergelijke manipulaties verraadt hoe armzalig en belachelijk de akte van beschuldiging is van het federaal Parket. Ik heb reeds op 15 september jongstleden geantwoord op deze manipulatie via sommige Nederlandstalige kranten (nl. De Morgen) en Franstalige kranten (nl. Le Soir).

Als politiek militant heb ik altijd belang gehecht aan het debat, de polemiek, de confrontatie tussen de ideeën en ik heb altijd fysisch geweld afgekeurd. Dit betekent natuurlijk niet dat ik elke vorm van geweld van de onderdrukten veroordeel. Zoals Mahatma Gandhi, zou ik in een situatie van extreme onderdrukking “als ik zou moeten kiezen tussen lafheid en geweld, kiezen voor geweld”. Dat geweld is “verzet”, een begrip dat volgens mij onverenigbaar is met “terrorisme”. Verzet is precies een antwoord op het terrorisme, in dit geval het terrorisme van de Turkse staat.

De termen “terrorisme” en “verzet” zijn even tegenstrijdig als de termen “geweld” en “tegengeweld”.

In tegenstelling tot de beweringen van de heer federale procureur, ben ik van oordeel dat de DHKP-C geen geweld gebruikt maar tegengeweld. Men hoeft volstrekt geen erkend Marxist-Leninist te zijn om te begrijpen dat het bestaan van een dergelijke beweging in Turkije alleen maar het resultaat is van het terrorisme van de Turkse staat. In een land waar het communisme wettelijk verboden is sinds de stichting van de Turkse republiek (cf. artikel 141 en 142 van het Turks strafwetboek, in 1991 vervangen door de antiterreurwet), waar de officiële ideologie elke nationale, filosofische, culturele, religieuze uitdrukking van de minderheden en meer bepaald van socialisme en communisme heeft verpletterd, zou het heel naïef zijn te denken dat de verschijning en de strijdbaarheid van revolutionair links aan het toeval zouden te wijten zijn.

Nemen we bijvoorbeeld de jaren twintig. Vijftien leiders van de Turkse communistische partij (TKP), waaronder de secretaris generaal Mustafa Suphi, die de nationale bevrijdingsstrijd hadden vervoegd in antwoord op de oproep van Atatürk, werden vermoord door de handlangers van deze laatste tijdens de nacht van 20 op 21 januari 1921 in hun boot nog vóór zij de oevers van Anatolië hadden bereikt.

In 1925 stemde de Grote algemene vergadering de Wet op de ordehandhaving (takrir-i sükun) die aan de regering de macht verleent om elk organisme dat als reactionair wordt aanzien te vervolgen en te verbieden. Hierop aansluitend installeerde de eerste minister Ismet Inönü Onafhankelijkheidsrechtbanken (Istiklal Mahkemeleri), de ene in Ankara, de andere in de Koerdische gebieden, waar een godsdienstig geïnspireerde opstand woedde: 48 Koerdische leiders worden ter dood veroordeeld en terechtgesteld. Onder het voorwendsel dat zij de Koerdische rebellie verdedigen en aanmoedigen werden de linkse partijen en de linkse pers ook onverbiddelijk vervolgd. Dit klimaat van terreur verplichtte de socialistische en communistische militanten om in de clandestiniteit te treden. Tijdens de daaropvolgende decennia zal dit maccarthysme avant la lettre zich voortzetten en zelfs nog versterken. Nemen we de periode van de staatsgreep van 1980 die werd uitgevoerd op bevel van de Verenigde Staten: militanten werden gefusilleerd, opgehangen, doodgefolterd. Duizenden gevangenen werden gedwongen militaire hymnen te zingen, nationalistische redevoeringen op te zeggen. Zij werden verkracht of verplicht menselijke uitwerpselen en zelfs braaksel te eten. Is het verwonderlijk, in zulk een hel, dat duizenden Turkse burgers aansluiten bij revolutionaire bewegingen?

Nemen we het Turkije van vandaag. Op 13 november jongstleden werd in Turkije het proces geopend van 89 militanten die terecht strijd hebben gevoerd tegen het geweld van de maffia-netwerken en de drughandelaars in hun wijk. Deze militanten die sinds 11 maanden in de gevangenis zitten en verdacht worden van lidmaatschap van de DHKP-C riskeren in totaal meer dan 10.000 jaar gevangenis. Verder zijn 17 wettelijke en democratische verenigingen en een federatie in het kader van dit proces met sluiting bedreigd. Bovendien zijn de politieke gevangenen en de gedetineerde journalisten in meerderheid pro-Koerdisch en links gezind. De enige vreedzame betogingen waar de ordediensten geweld gebruiken zijn pro-Koerdische of linkse betogingen. De enige verenigingen wiens lokalen worden vernield en gesloten zijn pro-Koerdische of linkse verenigingen. De meeste gevallen van foltering hebben betrekking op pro-Koerdische en linkse militanten. Ik zou duizenden redenen kunnen opsommen die verduidelijken dat het tegengeweld in Turkije zelfverdediging, wettelijke zelfverdediging is. Dat maakt van mij geen gewelddadig, gevaarlijk, te mijden of te veroordelen persoon.

Over mijn zogenaamde opeisingen op de televisie
De heer federale procureur beweert, verwijzend naar televisiebeelden, dat ik gewelddadige acties die aan de DHKP-C worden toegeschreven zou hebben gerechtvaardigd tijdens de uitzending « Au nom de la loi » van januari 2001 die op de openbare televisieketen RTBF te zien was. Klein detail dat zijn belang heeft: het gaat hier om het eerste interview dat ik in mijn leven heb gegeven vanuit het informatiebureau en met betrekking tot het conflict in Turkije. Door zijn aandringen en zijn inquisitorische vragen heeft de journalist Michel Hucorne mij onmiskenbaar tot de vergissing gedreven. Ik dacht dat M. Hucorne mij alleen vragen ging stellen over de toestand in de Turkse gevangenissen. Dat was helemaal niet het geval. Dit interview, dat werd opgenomen op 19 december 2000, viel samen met de bestorming van twintig Turkse gevangenissen, een aanval die het leven heeft gekost aan 28 politieke gevangenen. Op het ogenblik dat ik antwoordde op de vragen van de journalist, vielen talrijke vrienden, vrienden zoals ik er voordien nooit had gekend, vrienden met een buitengewoon humanisme, onder de kogels en de bommen van het Turks leger. Ik was zelf het doelwit van een intense lynchcampagne in de Turkse media omdat ik de Turkse minister van buitenlandse zaken in het Europees parlement op 28 november 2000 op niet gewelddadige manier aan de kaak had gesteld. Ik was bovendien in mijn 46ste dag van hongerstaking. Uitgeput als ik was, verontwaardigd wegens de laagheid en de barbarij van de Turkse regering die een vreedzame regeling of tenminste een uitstel had beloofd voor het probleem van de gevangenissen, was er heel weinig nodig om mij te irriteren...

Wat er ook van zij, de woorden die ik toen uitsprak kunnen niet tegen mij worden weerhouden omdat ze aan de antiterreurwetten van 19 december 2003 voorafgingen... Bovendien moeten zij in hun, uiterst emotionele, context geplaatst worden.

Met betrekking tot mijn televisieverklaringen van 28 juni 2004 op RTL, kan men mij er niet van beschuldigen een aanslag te hebben opgeëist, aanslag die er overigens geen was, vermits het ging om een accidentele ontploffing, volgens de verklaringen van de politiechef van Istanbul, Celalettin Cerrah, zelf.

De officiële mededeling na deze accidentele ontploffing is een mededeling van verontschuldiging aan de bevolking. Deze officiële persmededeling werd eerst naar de Turkse pers gestuurd die ze onmiddellijk publiceerde. Ik heb deze mededeling weliswaar vertaald en gecommentarieerd, maar ik heb ze helemaal niet opgesteld. Ik moet nogmaals herhalen dat ik een Brussels vertaler ben die verslag heeft gegeven van een evenement dat ontegensprekelijk is gebeurd en dat aan het publiek moest bekend worden gemaakt, zelfs als het schadelijk was voor de zaak of voor het imago van de DHKC. Mijn werk is dat van een vertaler en niet dat van een lid van de militaire leiding van deze organisatie.

Over de persconferentie van 28 juni 2004
Dezelfde morgen toen ik werd geïnterviewd door RTL heb ik een persconferentie georganiseerd in naam van de coalitie “Resistanbul 2004” die talrijke linkse verenigingen groepeerde in het kader van de Nato-top die op hetzelfde ogenblik doorging in Istanbul.

Maar tijdens deze persconferentie die was georganiseerd in het “New Hotel Charlemagne” in de Europese wijk te Brussel, is er nooit sprake van geweest om over de ontploffing te spreken die accidenteel was veroorzaakt door de militante Semiran Polat, noch zelfs om mededelingen van de DHKC te verspreiden met betrekking tot deze gebeurtenis.

Deze conferentie ging uitsluitend over de doorgedreven militarisering van de stad Istanbul omwille van de komst van Georges W. Bush en van andere staatshoofden. Sommige provocateurs van de Turkse pers die aanwezig waren op deze conferentie hebben gepoogd om Musa Asoglu in de val te lokken door het debat naar dat onderwerp te trekken. Maar deze laatste heeft vriendelijk de vraag ontweken om het debat terug te brengen tot het ware onderwerp, namelijk de top van de Nato te Istanbul en de tegenbetogingen die deze ging veroorzaken. Dit wordt duidelijk aangetoond door de beelden van de persconferentie die werden opgenomen door het Turks persagentschap Ihlas Haber Ajansi (IHA). Ik voeg u bijgaand de officiële mededeling van Resistanbul 2004, die de enige is die werd voorgelezen tijdens deze persconferentie die verliep in de voormiddag van 28 juni 2004 in het “New Hotel Charlemagne”.

Over de fotokopie’s van mijn identiteitspapieren die in Knokke werden aangetroffen
Sta mij toe, geachte mevrouw, geachte heren rechters hierover opnieuw uitleg te verschaffen: op een dag in 1999 is men mij komen vragen om mijn identiteit te lenen om een persoon te redden die werd vervolgd door het regime in Turkije.

Mij inspirerend aan de “Rechtvaardigen” die Joden hebben geherbergd in hun huis tijdens de tweede wereldoorlog heb ik onmiddellijk aanvaard om mijn naam te lenen aan een persoon die werd vervolgd, zonder enige aarzeling en met een louter humanitair doel. Ik oordeelde dat dit “solidariteitsmisdrijf” ten behoeve van een persoon die in gevaar verkeerde niet fundamenteel verschillend was van de morele en materiële steun die ik gaf aan politieke gevangenen.

En zoals de heer federaal procureur effectief heeft getoond, heb ik aan de persoon die mij mijn papieren had gevraagd een schets meegegeven van mijn handtekening met aanduidingen die toelieten om mijn handtekening te vervalsen samen met de fotokopie’s van mijn identiteitspapieren.

Ik ontken geenszins deze feiten.

Maar ik kan niet aanvaarden dat mijn vreedzaam en onschadelijk politiek engagement, met inbegrip van deze geste van solidariteit, gelijk zou gesteld worden met terrorisme. Ik voel deze beschuldiging aan als de ergste belediging.

Besluit
Terwijl mijn activisme behoort tot de vrije meningsuiting zoals die wordt gewaarborgd door artikel 19 van de Universele verklaring van de rechten van de mens, onderging ik de laatste jaren talrijke vormen van druk, intimidatie, vrijheidsberoving en andere straffen die gedetineerden ondergaan.

Het begon met de lynchcampagnes van de Turkse pers.

Vervolgens werd ik bijna overgeleverd aan mijn folteraars van Ankara, tengevolge van een politieoperatie in Nederland die was georchestreerd door de heer federaal procureur, zoals blijkt uit het PV van de vergadering van de 24 hoge staatsfunctionarissen die op 26 april 2006 werd georganiseerd op initiatief van het kabinet van de minister van justitie. Ik bracht 68 dagen door in een cel in Nederland, wachtkamer van de folterzaal die op mij wachtte in Turkije.

Mijn talrijke verzoeken gericht aan de Belgische consulaire diensten met het oog op een repatriëring naar België wegens de lichtheid van de feiten die mij door Ankara werden verweten bleven zonder gevolg.

Toen ik in België was teruggekeerd na mijn vrijspraak door het Hof van Den Haag, werd ik gedurende bijna zes maanden opgesloten in de gevangenis van Gent en daarna van Nijvel tot aan het arrest van het Hof van Cassatie dat mij op 19 april 2007 op vrije voeten stelde. Mijn onmiddellijke aanhouding in Gent was het gevolg van de provocaties van het federaal parket dat beweerde dat ik zou ontsnappen, wat nooit mijn bedoeling is geweest. Ik was overigens afwezig op geen enkele van de bijna 30 zittingen die doorgingen in Brugge, Gent en Antwerpen.

De vervolgingen en de repressie hebben ook mijn familie getroffen. Aan mijn echtgenote werd inderdaad het Belgisch burgerschap geweigerd om analoge politieke redenen. Het Turks consulaat had zojuist haar paspoort ingetrokken.

Ikzelf heb ook mijn recht op reizen verloren, wegens het mandaat van Interpol dat werd gelanceerd door de Turkse gerechtelijke autoriteiten.

Ik kan geen werk vinden tengevolge van mijn juridische problemen en de zware reputatie die ik verwierf wegens de campagne van criminalisering die wordt gevoerd door het federaal parket.

Daarom, geachte mevrouw, geachte heren rechters, als herstel voor de schade die ik heb ondergaan vanwege de Turkse en Belgische autoriteiten en in naam van de vrije meningsuitdrukking, de democratie en de rechtvaardigheid die u vertegenwoordigt, vraag ik u mijn vrijspraak.

Ik dank u voor uw geduld en uw aandacht.

Bahar Kimyongür



Le Clea est un collectif citoyen visant à promouvoir un débat critique sur les nouvelles législations antiterroristes. Le cas de Bahar Kimyongür est exemplaire à cet égard. En vertu de ces nouvelles dispositions, non seulement les libertés d'expression et d'association sont mises à mal mais, en plus, l'avenir d'un homme qui n'a commis aucun délit et comdamné aujourd'hui à cinq ans de prison ferme, est gravement compromis.  
 
 
 

autocollant
Bahar Kimyongür est un symbole
Il est le symbole des dangers que la lutte contre le “terrorisme” fait peser sur nos libertés

Vous souhaitez soutenir Bahar concrètement ?
Ce qui suit vous intéressera :
Lire
Téléchargez ici, et reproduisez et diffusez SVP un tract au format pdf
Soutenir Bahar
Prochaine réunion du Clea : À fixer


«Dis-moi avec qui tu colistes...»
Lire :

«Un citoyen belge livré pour des raisons électoralistes à un régime pratiquant la torture ?»

Consultez aussi :
www.mouvements.be


Actualité de Huxley
«(...) au moyen de méthodes toujours plus efficaces de manipulation mentale, les démocraties changeront de nature. Les vieilles formes pittoresques – élections, parlements, hautes cours de justice– demeureront mais la substance sous-jacente sera une nouvelle forme de totalitarisme non violent. Toutes les appellations traditionnelles, tous les slogans consacrés resteront exactement ce qu'ils étaient aux bon vieux temps. La démocratie et la liberté seront les thèmes de toutes les émissions (...) et de tous les éditoriaux mais (...) l'oligarchie au pouvoir et son élite hautement qualifiée de soldats, de policiers, de fabricants de pensée, de manipulateurs mentaux mènera tout et tout le monde comme bon lui semblera.»
Aldous Huxley, Retour au meilleur des mondes
n

Site optimisé pour le navigateur
Firefox
Firefox
Téléchargez-le ici