Mevrouw en Heren rechters,
Als u het mij toestaat zal ik als Belg,
afkomstig uit Brussel, mijn pleidooi
in de twee landstalen houden. Zoals
u immers al weet is het ordewoord: "Red
de solidariteit", zowel voor België als
op internationaal vlak, voor mij zeer
belangrijk.
Net als het Federaal parket en de
burgerlijke partij, zal ook ik, hier
voor de derde keer mijn argumenten
naar voor brengen.
Net als in eerste aanleg in Brugge
en voor het Hof van Beroep, blijf ik
geschokt en perpleks wanneer ik voor
de derde keer de eenzijdige en selectieve
interpretatie van de feiten hoor, die
door de aanklagers, die respectievelijk
de Belgische staat en de Turkse staat
vertegenwoordigen, wordt naar voor
gebracht.
Mijnheer de federaal
procureur maakt van mij een leider
van de DHKP-C, volgens een recept,
dat erop neer komt dat men een of
ander zogenaamd "verpletterend
bewijs" aanvoert, dat op de keper
beschouwd alleen maar over woorden
gaat, die dan ook nog heel bewust,
uit het geheel en uit hun context getrokken
worden. Zulk een procédé draagt
een naam: men pleegt bedrog door zaken
weg te laten.
Ik wil nog meer zeggen:
Mijn verklaringen over feiten, die
zich in Turkije hebben afgespeeld,
en de interpretatie, die de heer federaal
procureur ervan maakt, zijn helemaal
niet representatief voor mijn persoonlijkheid,
en ze ontnemen aan wat mijn politieke
activiteit geweest is en vandaag nog
altijd is, hun werkelijke waarde.
Ik zal nu een voor een de argumenten
die door de Heer federaal procureur
naar voor zijn gebr
Eerst over
mijn zogenaamde "groei" in
de organisatie.
Mevrouw en Heren rechters, u zal het
mij met eens zijn dat ik niet kan opgegroeid
zijn in de organisatie, omdat ik al
volwassen, meerderjarig en gevaccineerd
was op het ogenblik dat ik die organisatie
heb leren kennen.
In tegenstelling
tot mijn medebeschuldigden ben ik
geboren in Brussel, ik ben er opgegroeid,
ik heb er gestudeerd, ik heb er gewerkt,
ik heb er gemiliteerd en ik ben er
gehuwd, en vermits er een internationaal
aanhoudingsmandaat tegen mij is uitgevaardigd
door het regime in Ankara en ik verhinderd
ben om me naar eender welk land te
begeven, zal ik er dus wellicht ook
sterven….
Ik ken en bezoek het informatiebureau
van de DHKC in Brussel sinds zijn opening
in de zomer van 1995. 1995 is een jaar
waarin het aantal folteringen, buitenrechtelijke
executies, ontvolking van dorpen door
het leger en ontvoeringen door de Turkse
geheime diensten, bijzonder hoog was.
De terreur van de
Turkse staat tegen elke persoon,
die zich niet wou schikken en onderwerpen
aan het monsterlijke devies: "één natie, één
taal, één vaderland, één
vlag", heeft mij toen diep verontwaardigd.
Ik kan alleen maar
zeggen, mevrouw en heren rechters:
men moet echt het militarisme, het
chauvinisme en het revanchisme dat
de Turkse maatschappij overheerst
en verplettert…,
gezien, gehoord en gevoeld hebben,
om mijn engagement voor de Rechten
van de Mens en de democratie te begrijpen.
De militarisering van de geesten door
de Turkse staat heeft miljoenen Turkse
burgers in de rangen van de linkse
bewegingen geduwd.
Ik ben op het Informatiebureau
van de DHKC zelf spontaan begonnen
met het vertalen van de informatie
die ging over de repressie in Turkije,
zonder dat ik me daarvoor moest inschakelen
of onderwerpen aan een of ander hiërarchisch,
organisatorisch kader van die beweging.
De jaren 1997-1999, de jaren die ons
in deze strafzaak interesseren, zijn
precies de jaren waar de DHKP-C de
vorming van pluralistische volksvergaderingen
heeft aangemoedigd (Halk Meclisi) en
een Grondwet van het Volk (Halk Anayasasi)
heeft gelanceerd, die toegejuigd, of
op zijn minst geapprecieerd werd, door
de democratische krachten van het land.
Die grondwet is op bijna een half miljoen
exemplaren afgedrukt.
In die jaren heb ik vrijwel uitsluitend
informatie vertaald, die ging over
dit soort democratische en legale initiatieven..
In april 1997 heb
ik een rapport opgesteld met als
titel : "De aanslagen
tegen de Mensenrechten in Turkije (1996)".
Dit rapport is gepubliceerd door het
informatiebureau van de DHKP-C, dat
toen op de Leuvense Steenweg gehuisvest
was. Met de ontwikkeling van Internet,
is mijn journalistiek werk op papier
meer en meer overgeschakeld naar elektronisch
journalisme.
Gedurende meer dan tien jaar media-activisme,
heb ik nooit enige afkeuring of zelfs
geen aandacht gekregen van welke publieke
autoriteit dan ook. Mijn informatieactiviteit
was militantisme van het goede soort
en dat bleef zo tot in 2004, dit wil
zeggen, tot het regime van Ankara zijn
diplomatieke druk opvoerde en tot het
ogenblik waarop twee journalisten me
onderwierpen aan een ondervraging,
waar het Federaal Parket op zijn beurt
ging van gebruik maken, om mij voor
de rechtbank te sleuren.
Tot in 2004 heeft zelfs de minister
van justitie, mevrouw Onkelinx, verklaard
dat de activiteit van dit informatiebureau
volkomen legaal was en in overeenkomstig
met de Belgische grondwet.
Van 2000 tot 2007 heb ik niet opgehouden
te ijveren voor een bemiddeling tussen
het Turkse ministerie van Justitie
en de gevangenen van de DHKP-C, die
in hongerstaking waren tegen hun isoleerregime
in de gevangenissen.
Zelfs gedurende mijn
gevangenschap in de gevangenis van
Gent, heb ik mijn werk van bemiddeling
verder gezet, zoals blijkt uit de
brief die mevrouw Onkelinx me schreef
en waarin ze zich ertoe verbindt
om, zoals ik haar vroeg, M. De Gucht
te contacteren om " de
problematiek in het klare te trekken"(over
de slechte behandeling in de Turkse
gevangenissen, cf. N réf : LO/LB/SW/jl/2007-3/4072).
Na mijn transfer naar de gevangenis
van Nijvel, heb ik een recht op antwoord
gepubliceerd in de krant De Standaard
van 10 april, gericht aan Mijnheer
Filip Verhoest, die een schandalig
artikel had geschreven over mij.
Toen ik uit de gevangenis
werd vrijgelaten na het vonnis van
cassatie, heb ik volgens alle regels
van de beleefdheid, ook een open
brief geschreven aan Mijnheer Fuat
Tanlay, de Turkse ambassadeur in
België, die voor mij de vertegenwoordiger
is van een regime dat ik sinds 12 jaar
aanklaag.
Ik hoop dat deze enkele voorbeelden
volstaan om aan te tonen dat mijn militantisme
en mijn gedrag niets subversiefs, noch
terroristisch vertonen.
Ik wil er ook op
wijzen dat ik, in tegenstelling tot
wat mijnheer de federale procureur
beweert, op basis van een rapport
van een wijkagent, nooit gewoond
heb op het Informatiebureau van de
DHKC. Geen enkel huurcontract bindt
mij aan dit bureau, en als ik verklaard
heb daar te verblijven, dan is dat
enkel om mijn privé-leven te
beschermen en mijn eigen intimiteit
tegen mogelijke last met de politie.
Ik kan hier dan ook met alle stelligheid
en formeel beweren dat
- mijn vertaling
van communiqués,
die gaan over de gewapende acties
van de DHKP-C, slechts een miniem
deeltje uitmaken van mijn militant
werk
- en vooral, dat
ik niet "ben
opgegroeid" in de DHKP-C,
- dat ik er evenmin
de verschillende "echelons" heb
doorlopen, vermits ik daar altijd
dezelfde plaats heb ingenomen, en
er altijd dezelfde taak heb opgenomen.
Die taak is mij niet toevertrouwd,
maar ik heb die spontaan opgenomen
van in het begin en in overeenstemming
met mijn eigen capaciteiten. Er is
niemand die mij met die functie heeft
belast. Er is niemand die mij daarvoor
een vergoeding heeft gegeven of mij
daarvoor heeft betaald.
Ik kan onmogelijk een lid zijn van
de Partij, de DHKP, omdat ik niet in
de clandestiniteit werk en op geen
enkele manier een autoriteit heb over
de militanten van die beweging.
Ja, ik heb kennis genomen van een communiqué dat
in Turkije reeds bekend was.
Dankzij de communicatietechnologie
kan eender wie overweg kan met een
computer precies dezelfde informatieactiviteit
doen als ik, zonder dat dit de goedkeuring
van een of ander centraal comité zou
moeten krijgen.
Op dezelfde manier kan ik ook geen
lid zijn van het Front, de DHKC, vermits
ik met hen ook niet dezelfde modus
vivendi, noch de moed van deze DHKC-militanten
deel. Zoals mijnheer de procureur al
zei: het is niet gemakkelijk om lid
te worden. Dit wil zeggen dat men geen
grote helderziende moet zijn om te
zien dat ik geen lid ben van de DHKP
en evenmin van de DHKC. Ik beschouw
mezelf als een sympathisant van deze
beweging.
Over mijn zogenaamde rol van
leider van een jongerenkamp
In 1997 was ik nog maar een dilettant
op politiek vlak, hoe zou ik dan een
jongerenkamp hebben kunnen leiden,
terwijl ik in die periode nauwelijks
de Turkse taal beheerste? Ik kon hoogstens
teksten vertalen, moeizaam. Maar aangezien
mijn moedertaal Arabisch is en ik mijn
opleiding steeds in het Frans heb genoten,
was ik in die tijd niet bekwaam om
een toesprak in het Turks te houden.
In 1997 sprak ik slechts een twijfelachtig
Turks, onvoldoende om “een opleidingskamp
voor jonge revolutionairen te leiden”,
zoals het federaal Parket beweert.
Tenzij de heer federale procureur wil
spreken over een vakantiekamp waar
een links scoutisme wordt beoefend
met gitaar en Farandole zoals uit een
foto blijkt van het kamp dat de krant “Le
Soir” afdrukte op 30 april 2007?
Het bewuste vakantiekamp waar ik de
jonge vrouw heb ontmoet die mijn vrouw
zou worden. Zelfs als ik de belangrijkste
monitor zou zijn geweest van dit vakantiekamp,
is dit op zich helemaal geen misdrijf.
Over mijn zogenaamd gewelddadig
karakter
Uit het dossier blijkt nergens dat
ik op enig ogenblik van mijn bestaan
beroep zou gedaan hebben op geweld
om mijn ideeën op te dringen.
Ik zal niet uitweiden over de toevoeging
in het strafdossier van een foto waarop
ik te zien ben met een bazooka op de
schouder in een Palestijns kamp in
Libanon tijdens een officiële
herdenking van de 20ste verjaardag
van het bloedbad van Sabra en Chatila.
Het gebruik van dergelijke manipulaties
verraadt hoe armzalig en belachelijk
de akte van beschuldiging is van het
federaal Parket. Ik heb reeds op 15
september jongstleden geantwoord op
deze manipulatie via sommige Nederlandstalige
kranten (nl. De Morgen) en Franstalige
kranten (nl. Le Soir).
Als politiek militant
heb ik altijd belang gehecht aan
het debat, de polemiek, de confrontatie
tussen de ideeën
en ik heb altijd fysisch geweld afgekeurd.
Dit betekent natuurlijk niet dat ik
elke vorm van geweld van de onderdrukten
veroordeel. Zoals Mahatma Gandhi, zou
ik in een situatie van extreme onderdrukking “als
ik zou moeten kiezen tussen lafheid
en geweld, kiezen voor geweld”.
Dat geweld is “verzet”,
een begrip dat volgens mij onverenigbaar
is met “terrorisme”. Verzet
is precies een antwoord op het terrorisme,
in dit geval het terrorisme van de
Turkse staat.
De termen “terrorisme” en “verzet” zijn
even tegenstrijdig als de termen “geweld” en “tegengeweld”.
In tegenstelling
tot de beweringen van de heer federale
procureur, ben ik van oordeel dat
de DHKP-C geen geweld gebruikt maar
tegengeweld. Men hoeft volstrekt
geen erkend Marxist-Leninist te zijn
om te begrijpen dat het bestaan van
een dergelijke beweging in Turkije
alleen maar het resultaat is van het
terrorisme van de Turkse staat. In
een land waar het communisme wettelijk
verboden is sinds de stichting van
de Turkse republiek (cf. artikel 141
en 142 van het Turks strafwetboek,
in 1991 vervangen door de antiterreurwet),
waar de officiële ideologie elke
nationale, filosofische, culturele,
religieuze uitdrukking van de minderheden
en meer bepaald van socialisme en communisme
heeft verpletterd, zou het heel naïef
zijn te denken dat de verschijning
en de strijdbaarheid van revolutionair
links aan het toeval zouden te wijten
zijn.
Nemen we bijvoorbeeld
de jaren twintig. Vijftien leiders
van de Turkse communistische partij
(TKP), waaronder de secretaris generaal
Mustafa Suphi, die de nationale bevrijdingsstrijd
hadden vervoegd in antwoord op de
oproep van Atatürk,
werden vermoord door de handlangers
van deze laatste tijdens de nacht van
20 op 21 januari 1921 in hun boot nog
vóór zij de oevers van
Anatolië hadden bereikt.
In 1925 stemde de
Grote algemene vergadering de Wet
op de ordehandhaving (takrir-i sükun) die aan de regering de
macht verleent om elk organisme dat
als reactionair wordt aanzien te vervolgen
en te verbieden. Hierop aansluitend
installeerde de eerste minister Ismet
Inönü Onafhankelijkheidsrechtbanken
(Istiklal Mahkemeleri), de ene in Ankara,
de andere in de Koerdische gebieden,
waar een godsdienstig geïnspireerde
opstand woedde: 48 Koerdische leiders
worden ter dood veroordeeld en terechtgesteld.
Onder het voorwendsel dat zij de Koerdische
rebellie verdedigen en aanmoedigen
werden de linkse partijen en de linkse
pers ook onverbiddelijk vervolgd. Dit
klimaat van terreur verplichtte de
socialistische en communistische militanten
om in de clandestiniteit te treden.
Tijdens de daaropvolgende decennia
zal dit maccarthysme avant la lettre
zich voortzetten en zelfs nog versterken.
Nemen we de periode van de staatsgreep
van 1980 die werd uitgevoerd op bevel
van de Verenigde Staten: militanten
werden gefusilleerd, opgehangen, doodgefolterd.
Duizenden gevangenen werden gedwongen
militaire hymnen te zingen, nationalistische
redevoeringen op te zeggen. Zij werden
verkracht of verplicht menselijke uitwerpselen
en zelfs braaksel te eten. Is het verwonderlijk,
in zulk een hel, dat duizenden Turkse
burgers aansluiten bij revolutionaire
bewegingen?
Nemen we het Turkije van vandaag.
Op 13 november jongstleden werd in
Turkije het proces geopend van 89 militanten
die terecht strijd hebben gevoerd tegen
het geweld van de maffia-netwerken
en de drughandelaars in hun wijk. Deze
militanten die sinds 11 maanden in
de gevangenis zitten en verdacht worden
van lidmaatschap van de DHKP-C riskeren
in totaal meer dan 10.000 jaar gevangenis.
Verder zijn 17 wettelijke en democratische
verenigingen en een federatie in het
kader van dit proces met sluiting bedreigd.
Bovendien zijn de politieke gevangenen
en de gedetineerde journalisten in
meerderheid pro-Koerdisch en links
gezind. De enige vreedzame betogingen
waar de ordediensten geweld gebruiken
zijn pro-Koerdische of linkse betogingen.
De enige verenigingen wiens lokalen
worden vernield en gesloten zijn pro-Koerdische
of linkse verenigingen. De meeste gevallen
van foltering hebben betrekking op
pro-Koerdische en linkse militanten.
Ik zou duizenden redenen kunnen opsommen
die verduidelijken dat het tegengeweld
in Turkije zelfverdediging, wettelijke
zelfverdediging is. Dat maakt van mij
geen gewelddadig, gevaarlijk, te mijden
of te veroordelen persoon.
Over mijn zogenaamde opeisingen
op de televisie
De heer federale procureur beweert,
verwijzend naar televisiebeelden, dat
ik gewelddadige acties die aan de DHKP-C
worden toegeschreven zou hebben gerechtvaardigd
tijdens de uitzending « Au
nom de la loi » van januari
2001 die op de openbare televisieketen
RTBF te zien was. Klein detail dat
zijn belang heeft: het gaat hier om
het eerste interview dat ik in mijn
leven heb gegeven vanuit het informatiebureau
en met betrekking tot het conflict
in Turkije. Door zijn aandringen en
zijn inquisitorische vragen heeft de
journalist Michel Hucorne mij onmiskenbaar
tot de vergissing gedreven. Ik dacht
dat M. Hucorne mij alleen vragen ging
stellen over de toestand in de Turkse
gevangenissen. Dat was helemaal niet
het geval. Dit interview, dat werd
opgenomen op 19 december 2000, viel
samen met de bestorming van twintig
Turkse gevangenissen, een aanval die
het leven heeft gekost aan 28 politieke
gevangenen. Op het ogenblik dat ik
antwoordde op de vragen van de journalist,
vielen talrijke vrienden, vrienden
zoals ik er voordien nooit had gekend,
vrienden met een buitengewoon humanisme,
onder de kogels en de bommen van het
Turks leger. Ik was zelf het doelwit
van een intense lynchcampagne in de
Turkse media omdat ik de Turkse minister
van buitenlandse zaken in het Europees
parlement op 28 november 2000 op niet
gewelddadige manier aan de kaak had
gesteld. Ik was bovendien in mijn 46ste
dag van hongerstaking. Uitgeput als
ik was, verontwaardigd wegens de laagheid
en de barbarij van de Turkse regering
die een vreedzame regeling of tenminste
een uitstel had beloofd voor het probleem
van de gevangenissen, was er heel weinig
nodig om mij te irriteren...
Wat er ook van zij, de woorden die
ik toen uitsprak kunnen niet tegen
mij worden weerhouden omdat ze aan
de antiterreurwetten van 19 december
2003 voorafgingen... Bovendien moeten
zij in hun, uiterst emotionele, context
geplaatst worden.
Met betrekking tot
mijn televisieverklaringen van 28
juni 2004 op RTL, kan men mij er
niet van beschuldigen een aanslag
te hebben opgeëist, aanslag die
er overigens geen was, vermits het
ging om een accidentele ontploffing,
volgens de verklaringen van de politiechef
van Istanbul, Celalettin Cerrah, zelf.
De officiële mededeling na deze
accidentele ontploffing is een mededeling
van verontschuldiging aan de bevolking.
Deze officiële persmededeling
werd eerst naar de Turkse pers gestuurd
die ze onmiddellijk publiceerde. Ik
heb deze mededeling weliswaar vertaald
en gecommentarieerd, maar ik heb ze
helemaal niet opgesteld. Ik moet nogmaals
herhalen dat ik een Brussels vertaler
ben die verslag heeft gegeven van een
evenement dat ontegensprekelijk is
gebeurd en dat aan het publiek moest
bekend worden gemaakt, zelfs als het
schadelijk was voor de zaak of voor
het imago van de DHKC. Mijn werk is
dat van een vertaler en niet dat van
een lid van de militaire leiding van
deze organisatie.
Over de persconferentie van
28 juni 2004
Dezelfde morgen toen ik werd geïnterviewd
door RTL heb ik een persconferentie
georganiseerd in naam van de coalitie “Resistanbul
2004” die talrijke linkse verenigingen
groepeerde in het kader van de Nato-top
die op hetzelfde ogenblik doorging
in Istanbul.
Maar tijdens deze
persconferentie die was georganiseerd
in het “New
Hotel Charlemagne” in de Europese
wijk te Brussel, is er nooit sprake
van geweest om over de ontploffing
te spreken die accidenteel was veroorzaakt
door de militante Semiran Polat, noch
zelfs om mededelingen van de DHKC te
verspreiden met betrekking tot deze
gebeurtenis.
Deze conferentie
ging uitsluitend over de doorgedreven
militarisering van de stad Istanbul
omwille van de komst van Georges
W. Bush en van andere staatshoofden.
Sommige provocateurs van de Turkse
pers die aanwezig waren op deze conferentie
hebben gepoogd om Musa Asoglu in
de val te lokken door het debat naar
dat onderwerp te trekken. Maar deze
laatste heeft vriendelijk de vraag
ontweken om het debat terug te brengen
tot het ware onderwerp, namelijk
de top van de Nato te Istanbul en
de tegenbetogingen die deze ging
veroorzaken. Dit wordt duidelijk
aangetoond door de beelden van de
persconferentie die werden opgenomen
door het Turks persagentschap Ihlas
Haber Ajansi (IHA). Ik
voeg u bijgaand de officiële mededeling
van Resistanbul 2004, die de enige
is die werd voorgelezen tijdens deze
persconferentie die verliep in de voormiddag
van 28 juni 2004 in het “New
Hotel Charlemagne”.
Over de fotokopie’s
van mijn identiteitspapieren die
in Knokke werden aangetroffen
Sta mij toe, geachte mevrouw, geachte
heren rechters hierover opnieuw uitleg
te verschaffen: op een dag in 1999
is men mij komen vragen om mijn identiteit
te lenen om een persoon te redden die
werd vervolgd door het regime in Turkije.
Mij inspirerend aan
de “Rechtvaardigen” die
Joden hebben geherbergd in hun huis
tijdens de tweede wereldoorlog heb
ik onmiddellijk aanvaard om mijn naam
te lenen aan een persoon die werd vervolgd,
zonder enige aarzeling en met een louter
humanitair doel. Ik oordeelde dat dit “solidariteitsmisdrijf” ten
behoeve van een persoon die in gevaar
verkeerde niet fundamenteel verschillend
was van de morele en materiële
steun die ik gaf aan politieke gevangenen.
En zoals de heer
federaal procureur effectief heeft
getoond, heb ik aan de persoon die
mij mijn papieren had gevraagd een
schets meegegeven van mijn handtekening
met aanduidingen die toelieten om
mijn handtekening te vervalsen samen
met de fotokopie’s
van mijn identiteitspapieren.
Ik ontken geenszins deze feiten.
Maar ik kan niet aanvaarden dat mijn
vreedzaam en onschadelijk politiek
engagement, met inbegrip van deze geste
van solidariteit, gelijk zou gesteld
worden met terrorisme. Ik voel deze
beschuldiging aan als de ergste belediging.
Besluit
Terwijl mijn activisme behoort tot
de vrije meningsuiting zoals die wordt
gewaarborgd door artikel 19 van de
Universele verklaring van de rechten
van de mens, onderging ik de laatste
jaren talrijke vormen van druk, intimidatie,
vrijheidsberoving en andere straffen
die gedetineerden ondergaan.
Het begon met de lynchcampagnes van
de Turkse pers.
Vervolgens werd ik bijna overgeleverd
aan mijn folteraars van Ankara, tengevolge
van een politieoperatie in Nederland
die was georchestreerd door de heer
federaal procureur, zoals blijkt uit
het PV van de vergadering van de 24
hoge staatsfunctionarissen die op 26
april 2006 werd georganiseerd op initiatief
van het kabinet van de minister van
justitie. Ik bracht 68 dagen door in
een cel in Nederland, wachtkamer van
de folterzaal die op mij wachtte in
Turkije.
Mijn talrijke verzoeken
gericht aan de Belgische consulaire
diensten met het oog op een repatriëring naar
België wegens de lichtheid van
de feiten die mij door Ankara werden
verweten bleven zonder gevolg.
Toen ik in België was
teruggekeerd na mijn vrijspraak door
het Hof van Den Haag, werd ik gedurende
bijna zes maanden opgesloten in de
gevangenis van Gent en daarna van
Nijvel tot aan het arrest van het
Hof van Cassatie dat mij op 19 april
2007 op vrije voeten stelde. Mijn
onmiddellijke aanhouding in Gent
was het gevolg van de provocaties
van het federaal parket dat beweerde
dat ik zou ontsnappen, wat nooit mijn
bedoeling is geweest. Ik was overigens
afwezig op geen enkele van de bijna
30 zittingen die doorgingen in Brugge,
Gent en Antwerpen.
De vervolgingen en de repressie hebben
ook mijn familie getroffen. Aan mijn
echtgenote werd inderdaad het Belgisch
burgerschap geweigerd om analoge politieke
redenen. Het Turks consulaat had zojuist
haar paspoort ingetrokken.
Ikzelf heb ook mijn recht op reizen
verloren, wegens het mandaat van Interpol
dat werd gelanceerd door de Turkse
gerechtelijke autoriteiten.
Ik kan geen werk vinden tengevolge
van mijn juridische problemen en de
zware reputatie die ik verwierf wegens
de campagne van criminalisering die
wordt gevoerd door het federaal parket.
Daarom, geachte mevrouw, geachte heren
rechters, als herstel voor de schade
die ik heb ondergaan vanwege de Turkse
en Belgische autoriteiten en in naam
van de vrije meningsuitdrukking, de
democratie en de rechtvaardigheid die
u vertegenwoordigt, vraag ik u mijn
vrijspraak.
Ik dank u voor uw geduld en uw aandacht.
Bahar Kimyongür |